Maarten en ik kunnen het niet eens worden. Om de 9e verjaardag van De Maarten Inghelsprijs en de Vincent Van Meenenprijs te vieren, besloten we om voetbalshirts te laten ontwerpen. Daarvoor werkten we samen met de beste ontwerper die we kennen: Maxim Preaux. Maxim was de perfecte match: jong, betaalbaar, uitstekend in zijn vak, en ik wist dat hij een passie had voor hooligans en voetbal. Toen ik hem een paar jaar geleden ontmoette tijdens zijn studies, had hij net een seizoen in de spionkop van Antwerp geleefd, bij de harde kern. Skin in the game, daar hou ik van.
Maarten en ik krijgen al 9 jaar dezelfde vraag: hoe kunnen we ons nomineren?
Hoe kunnen ook wij die prijzen van jullie winnen?
De voetbalshirts maakten het simpel: Schrijvers, collega’s en fans krijgen in ruil voor baar geld de kans om zich te nomineren voor onze prijzen. Wie een shirt heeft, is genomineerd, want het staat er in koeien van letters op. Genomineerd.
Alleen, hoeveel dukaten moeten die shirts kosten?
Hoeveel kost een nominatie voor de Vincent Van Meenenprijs, voor de Maarten Inghelsprijs?
Wat is een nominatie voor een literaire prijs waard?
En het voetbaltruitje dat je erbij krijgt?
Dat is de kern van ons conflict. Maarten en ik hebben andere waardeschalen in ons hoofd.
Wanneer ik naar onze voetbaltruitjes kijk, zie ik een werk dat enkel in waarde kan stijgen. Over een paar jaar zegt men: Dit was ooit genoeg om je te nomineren voor de grootste en langstlopende literaire prijzen van het Nederlandse taalgebied.
Wanneer Maarten naar het truitje kijkt, ziet hij volgens mij de kunstmarkt, waarvoor een waardeschaal geldt: een origineel kunstwerk is meer waard dan een editie. De truitjes zijn in zijn ogen een editie. Dus die mogen niet te duur zijn. Hoeveel mogen ze dan kosten? Een vraag die tot verhitte discussies leidt. ‘Wat de zot ervoor geeft,’ roept hij uiteindelijk, ‘Of geef ze desnoods gratis weg!’
Wanneer ik naar het truitje kijk, zie ik een door Maxim Preaux ontworpen stukje geschiedenis. Ik zie de pijn en de vreugde, de jaloezie en de roes van literaire prijzen, de naijver en de roem. Ik zie de gebroken illusies, de tranen en de woede van genomineerden die het net niet gehaald hebben, ik zie de vreugde van de winnaar, de ijdelheid, het niksige van vier mensen in een kamer die het eens moeten worden over een twistappel, de bourgondische lunch die ze ‘s middags hebben verorberd, die zwaar op de maag valt, waardoor de keuze alsnog verandert. Ik zie de crisis in het literaire veld. En ik zie de prachtige paarse of roze letters: GENOMINEERD.

Als puntje bij paaltje komt gaat deze discussie over de waarde van dingen. De waarde van dingen is iets wat mij al lang bezighoudt. In 2019-2020 begeleidde ik mee de Boslabs in Antwerpen, creatieve jeugdateliers op woensdagnamiddag. Toen werkten we aan een tentoonstelling in Bozar met de collectie van Jaap Kruithof. Jaap Kruithof had tijdens zijn leven allerlei brol verzameld in kartonnen bananendozen. Een deel van die dozen was in het Bos beland. Als ik zeg brol, dan bedoel ik: rommelmarktspullen. De jongeren van Boslabs tekenden of boetseerden die objecten na, goten ze in tekst of in dans of in tekeningen, deden er iets mee. Wat is de waarde van de objecten die ons omringen én overleven? Dat was een beetje de vraag. Wie vaak in kringwinkels komt, ziet daar steeds dezelfde dingen, of variaties ervan. Dezelfde schilderijen, prenten, postuurtjes. Folklore. Betekenis op micro-niveau.
Sindsdien denk ik na over wat dingen waard zijn. Wat geld waard is, onderzocht ik uitvoerig in 0xBlixa. Wat vriendschappen waard zijn, werd vorig jaar pijnlijk duidelijk, toen een goede vriendschap versplinterde en me wanhopig en rouwend achterliet. Wat de Hoge Venen waard zijn, daar kwamen we deze zomer achter, en wat bomen in een stadscentrum waard zijn, daar vecht men in Antwerpen nog elke dag over. In een interview zei AMVK onlangs: ik besefte dat mijn werk waarde had, maar niemand kocht het.
Niemand kocht het. Moeten de dingen verkocht worden om iets waard te zijn?

De fabricageprijs van de shirts was 150 euro per stuk. We kozen voor een editie van acht (2x4), een ideale shortlist. Ik wil graag 1500 euro vragen per shirt. Dat vind ik een prijs die past bij wat een nominatie voorstelt: een rib uit je lijf, en tegelijkertijd een peulenschil. Maarten vindt 250 euro per shirt schappelijker. Terwijl ik dit schrijf, besef ik dat we er niet uitkomen. Ik bel hem op. Hij klinkt geërgerd, want hij heeft nog veel werk, hij is een tentoonstelling in het MHkA aan het voorbereiden.
‘Als we hier nog lang over discussiëren zijn voetbaltruitjes helemaal niet meer hip,’ zegt hij, ‘volgens mij is het al passé. De next big thing is puzzels met mijn hoofd erop. Dat wordt een hit. En ik wil ook een familiedag!’
‘Een wat?’
‘Een Fandag voor het hele gezin, waarbij we kindergedichten voorlezen, en onze prijzen uitreiken en met onze truitjes een groepsfoto maken. Zoals de Rode Duivels.’
‘Voor mij hoeft dat niet zo,’
We raken het niet eens. De uiteindelijke prijslijst vind je hieronder.
Nominatie voor de Vincent Van Meenenprijs (inclusief shirt): 1500 euro
Nominatie voor de Maarten Inghelsprijs (inclusief shirt): 250 euro




Ze zijn prachtig.